Marsmannen

16 juni 2006

Le Bedoin bladerde wat afwezig in een blad, dat hij uit het rek had gehaald van een kiosk waarvan wij onder de luifel stonden om ons te beschermen tegen de felle zon die die dag scheen. We hadden een middag vrijaf gekregen van onze ploegleider en flaneerden nu wat rond in de stad.

Ik had me in zekere zin opgeofferd om met le Bedoin mee te gaan, want we wisten maar al te goed dat we uren naar hem moesten luisteren wanneer hij alleen gegaan zou gaan. Hij zou het diner geheel beheersen met allerlei aan de rand van het onwaarschijnlijke grenzende verhalen die hij onderweg beleefd had.

Buiten zijn gehoorafstand noemden we hem wel eens spottend de nieuwe von Mxfcnchausen. Zo beweerde hij eens tijdens een verblijf van de ploeg in London, dat hij het Engelse topmodel Naomi Campbell was tegengekomen. Zij had hem herkend en dwingend gevraagd om een handtekening te zetten op haar lichaam, en wel net op het stukje huid tussen haar navel en de aanzet van haar schaamhaar. Ze had hem gesommeerd onmiddellijk mee te gaan naar haar appartement en was naakt op bed gaan liggen. En of Le Bedoin maar even zijn autogram wilde neerzetten met het fijnste penseeltje wat een mens kon bedenken en met de meest exquise gouden verf van dit hele universum. Hij maakte bij het vertellen van dit verhaal continue snorrende geluiden als van een spinnende kat en keek ons een voor een aan met een blik die verraadde dat dit slechts de helft van het verhaal was met Naomie.

De gedachte aan Naomi Campbell alleen al liet bij sommige collegarenners een onbestemde soort opwinding achter, laat staan het idee dat Le Bedoin haar naakte lichaam van zo dicht bij gezien had, en wel op een van de meest gevoelige en intieme plekken. De dag erop reden we als ploeg als een dweil door het nachtelijke plafondstaren van ons. Behalve dan Le Bedoin uiteraard, die reed als een wilde en ons probeerde mee te sleuren. Maar die had die nacht dan ook luid snurkend doorgebracht. Hij gaf ons die dag woedend onder uit de zak bij zoveel collectief falen. Maar telkens wanneer een van ons met hem meeging dan leek de wereld een saai theater waar je nog niet eens voor een dubbeltje op de eerste rij zou willen zitten. Dus uit voorzorg ging er altijd iemand mee om ervoor zorg te dragen dat we als ploeg toch nog wel meetelden.

Het meisje van de kiosk keek beurtelings van mij naar Le Bedoin en lachte enigszins besmuikt bij het zien van zox92n groot contrast in verfijning en delicaatheid. Ze begon na enige tijd een zekere ergernis te krijgen bij het zien van Le Bedoins doelloos geblader. Als ik haar gedachten goed kon raden vroeg ze zich af of ze weldra zou gaan zeggen dat dit hem geld ging kosten. En net toen ze op het punt stond Le Bedoin een blad te verkopen als genoegdoening voor het verdoen van haar kostbare tijd en het verslijten van haar tere nering, viel ze bijna voorover tussen haar waar toen Le Bedoin als door een wesp gestoken de lucht insprong, daarbij een blad hoog boven zijn hoofd houdend.

x91Moet je horen, le Danseur, moet je horen wat ik nu lees hier. Wat een nonsens. Luisterx92, en hij probeerde me doordringend aan te kijken. Ik probeerde opzichtig de glans van mijn schoenen te bekijken en moest denken aan een grap van een man die zegt tegen een gerokt meisje, x91Wat leuk dat je geen slipje draagtx92, waarop het meisje verwonderd vraagt, x91Hoe weet u dat?x92 en de man antwoordt, x93Ik poets mijn schoen metx85.x92. Maar voordat ik het grapje af kon maken greep Le Bedoin me met een van zijn krachtige handen bij de schouder beet en eiste mijn volledige aandacht. x91Luister, dansertje, let op. Wat staat hier? Mannen komen van Mars!!x92. Hij keek het meisje aan en riep met stemverheffing, daarbij zijn machtige lijf over de toonbank buigend zodat hun neuzen elkaar bijna raakten, x91En dat soort onzin verkoop je dus hier. Mannen komen van Mars!! Je moest je schamen!x92

Het meisje werd een beetje bleek om de neus en voordat dat ze ook maar iets kon zeggen, riep Le Bedoin, zich omdraaiend naar mij, x91Le Danseur. Ongelooflijk. In alle eerlijkheid, ben ik een Marsmannetje?x92. En terwijl ik half mompelde, x91Nou, Le Bedoin, met dat rode hoofd zou dat zo maar kunnenx92, mezelf al klaarmakend om op tijd een sprint te trekken, had Le Bedoin al een oud vrouwtje staande gehouden, die toevallig voorbij slofte in de warme middagzon. Hij vroeg haar, terwijl hij de weg voor haar blokkeerde, x91Oud vrouwtje, kom ik van Mars?x92

Het vrouwtje dacht even na, voordat ze antwoordde, en zei toen met een verrassend heldere en krachtige stem, x91Nee, ik vind u meer het type dat van Krypton komt, alhoewel u evenzogoed een broer van Spock zou kunnen zijn, maar waar die vandaan komt dat weet ik helaas niet. Misschien moet u dat maar even vragen aan dat lieve bladenkind. Goede reis terug zou ik maar zeggen, danx92.  Ze wees ten overvloede op het meisje van de kiosk, dat snel haar gezicht verborg in een grote theedoek die ze onder de toonbank vandaan gehaald had. Ze begon allerlei onsamenhangene geluiden te produceren, en leek aan haar lichaamsbewegingen te zien weldra dringend behoefte te krijgen aan een toilet.

Le Bedoin leek voor een ogenblik niet te weten wat te doen en juist dat ogenblik gebruikte het oude vrouwtje om om Le Bedoin heen te lopen, daarbij half mompelend, x91Weet ik veel waar die gast vandaan komt.x92 Snel wierp ik wat geld op de toonbank ter compensatie van het blad. Om te voorkomen dat het hele gebeuren zou leiden tot een totale sloop van de kiosk nam ik Le Bedoin mee aan de hand  en leidde hem de warmte van de stad weer in op weg naar ons hotel, om hem daar maar eens rustig uit te leggen wat nu bedoeld werd, het tijdschrift ondertussen uit zijn handen nemend en onderweg achteloos in een prullenbak deponerend.

28 December 2006
By on 10:06
Voorjaarsmoe

1 juni 2006

Zo af en toe zonk le Bedoin weg in oneindige buien van zwaarmoedigheid. Hij kon dan dagenlang verzuchten, x91Wat is de fiets meer dan een verzameling wielen, een frame en een trapsysteem?x92, waarna hij niet zelden zijn krachten onderschatte en zijn duimen, groot als peren, in het gevoelige carbon frame drukte, als een kind dat zijn emoties niet meer onder controle heeft en zijn lievelingspop de ogen ontneemt. Door de wielerploeg trok altijd een siddering van afgrijzen terwijl le Bedoin dit deed.

Wat dit soort buien veroorzaakte was voor ons allen een raadsel, en zo le Bedoin zou doodgaan, het zou een van de best bewaarde geheimen van zijn leven blijven. Desgevraagd zei hij altijd, x91Ah, le Danseur, je ne sais pas. Nee, jong ik weet echt niet, al sla je me dood.x92 Hierna nam hij dan theatraal een pose aan, die aangaf dat er maar een goedendag op zijn hoofd zou moeten landen, en dat ik het instrument was voor dat doeleind. Meestal voldeed ik dan met veel vertoon van misplaatste woestheid aan zijn verzoek, waarna le Bedoin ging liggen, zich voorbereidend op een langdurig verblijf tussen 6 planken.

x91Zo liggenx92, zei hij dan, x92zo liggen, lief dansertje van me, is zo slecht nog niet. Zoete zachte dood, ik omhels je met duizend armen.x92 En waterlanders kwamen er waarlijk in zijn ogen. x91Het lijkt me alleen zo naar wanneer je door de kist begint te lekken, en er van alles begint te gisten en te borrelen. Nee dan hoop ik dat er of echt nooit meer ben, of lekker in een leunstoel in de de hemel of de hel, dat maakt niet uit uit, als ik maar de vijheid van de geest heb.x92 x91Nou, le Bedoin, als ze gaan stoken dan hebben ze een vette kluif aan joux92, merkte ik dan meestal op, x91en je weet dat ze ook in de hel letten op de kleintjes, dus ik denk dat ze jou dan maar even in de hemel parkeren. De hel zal zo langzamerhand leeglopen, vrees ik, jammer, want wat is er mooier dan een mooie fik.x92  Hierna lachte hij dan zijn tanden bloot, en zonk dan weer weg in diepe buien van somberheid.

Nu zat hij voor de televisie te kijken naar de Giro, de onderschatte ronde van Italie. x91Die Voigt, wat is dat voor zwezerik, die geeft zo maar  een overwinning uit handen. Onbegrijpelijk!x92 Hij doelde op de etappe waarbij Jens Voigt, de renner van CSC, zijn medekoploper, een Spanjool, een hand gaf, een tikje op de billen, in de remmen kneep, en uitbolde naar de finish. De Spanjaard hield bijna in om te kijken hoe lang dit kadootje van deze Duitser zou duren en een van beiden zou omvallen van het stilstaan, maar bedacht zich toen en dacht blijkbaar x91stikx92, en fietste naar de finish. Maar toen hij zijn handen omhoog stak onder het finishdoek, voelde hij dat zijn armen omhoog gehouden werden door de handen van Voigt en had hij waarschijnlijk al spijt van zijn daad. Maar misschien dacht hij ook aan het naderende zware weer, dat de wielerwereld tegemoet zou kunnen zien, nu er van alles en nog wat beweerd en gevonden werd rond uitgewogen vormen van doping, te beginnen in het Spaanse.

De CSC ploeg was sterk dit jaar. Niemand had er aan getwijfeld dat Basso dit jaar de Giro zou winnen. x91Wat is dit voor wereldx92, mopperde le Bedoin, x91dan is het die Boonen met zijn Kwik-Kwik-Slow ploeg, die mijn hele voorjaar vergalt, nu is het weer die Bassie en zijn CSC bende, die me de rondes gaan versteren. Waar rijden we nog voor, mijn beste le Danseur? Waar rijden we nog voorx92 En hij stak theatraal zijn handen omhoog. x91Ik moet maar eens gaan praten met die ploegleider van ons. Maar wat valt er voor ons nog te winnen, nu onze sponsor niet meer salonfxe4hig is door zijn product?x92 

Hij doelde op het feit, dat begin dit jaar het alom geprezen en gegeten product de negerzoen niet meer mocht heten, zoals het nu eenmaal heette, namelijk de negerzoen. Bij onze Zuiderburen ook wel bekend als de negertette of negertiet, of x91tete de negrex92 oftwel negerhoofd. Bij dit laatste kon ik me altijd meer voorstellen dan bij een negerzoen. Om de proef op de som te nemen heb ik me eens laten blinddoeken en afwisselend een hap negerzoen genomen en een neger gekust op alle tot dan toe aan mij bekende manieren. Na enig heen en weer gegeet en gezoen en na lang wikken en wegen was me de overeenkomst geheel en al onduidelijk. De enige manier waarop een overeenkomst te vinden zou kunnen zijn was, wanneer ik een neger zou tongzoenen, die als een pak vla afgevuld tot aan de rand vol met groen en geel snot zou zitten, dat hij na  veel neusophalen en keelschrapen bijeengebracht zou hebben in zijn mondholte. Alleen de smaak zou een punt van twijfel blijven dan.

Ook de nieuwe naam was mij een raadsel, iets met een engelkus. Ik had nooit engelen gekust, en zo ik dat zou doen, dan zou ik niet meer in staat zijn zox92n schuimige engelkus uit het aardse te verorberen om een goede vergelijking uit te maken. En om nu met een stoffeljke engelkus in de hand me van het leven te beroven om dan zo snel als God en Petrus mij toelieten engelen te gaan kussen, dat is me toch echt te gortig. De vergelijking met de engelen, die ik hier op aarde gekust heb is het dichtst bij wat ik kan komen, en ik moet zeggen daar zaten exemplaren bij die wellicht als vergelijking zouden kunnen dienen.

Le Bedoin stak met veel vertoon nu negerzoenen naar binnen. In dit soort buiten was het hem allemaal blauw blauw en vrat hij vrachtladingen van deze lekkernijen, wat er toe leidde dat hij de weken daarna meer dan ooit in de beugels moest om zijn gewicht weer terug te krijgen. Deze Ullrichiaanse uitspattingen brachten de ploegleider tot wanhoop. Hij foeterde luidkeels tussen het vreten door dat die Bassie toch geen echte tegenstanders had, dat het allemaal Italiaanse pizzaluilebollen waren met flikkerkuiten en gestreken haren. Als hij er geweest zou zijn, nou dan was het evenement wereldgeschiedenis geweest. Hij vrat door tot hij uiteindelijk misselijk zich achterover liet vallen en boerend in slaap viel. Dit was het sein voor ons om de fiets te pakken en een ontspannen trainingsrit te maken zonder Le Bedoins kots op dit universum te moeten verdragen. We wisten dat eens de zon weer zou gaan schijnen voor onze nu gemankeerde vriend.


By on 10:02
Boekenballen

18 maart 2006

Aan een tafel met daarop lege glazen en een asbak zat Le Bedoin met een Amsterdamse schrijver te praten. Ik herkende de man aan zijn in de loop der jaren steeds roder geworden neus. Hij stak de vlam in zijn pijp, en niet eerder dan dat hij tevreden geconstateerd had dat de schoorsteen goed trok, wendde hij zich weer tot Le Bedoin.
‘Kijk’, zei hij, ‘schrijven is niet moeilijk. Je moet steeds een woord kiezen met een meervoudige betekenis. En dan schrijf je daar ingewikkelde verbanden over. Enfin, je moet je daarvan maar eens laten overtuigen door een boekje van mij, waarin ik met het woord ‘pupil’ speel.’ Le Bedoin knikte, en roemde evenwel een ander boek van de schrijver van lang geleden. Een boek waar heden en verleden in elkaar overlopen en wat deed denken aan een Griekse tragedie. En voor Le Bedoin iets verder kon zeggen, zei de schrijver, ‘Een vingeroefening, niet meer dan dat, een vingeroefening, maar wel geniaal. Kijk naar mij. In mij zie je het verleden, Grieks, Romeins, het heden en de toekomst van de mens in dit universum versmolten. Iets wat slechts zelden voorkomt in de geschiedenis.’
Hij gebood Le Bedoin even te zwijgen toen een kelner de glazen volschonk met wijn. De schrijver tilde het glas aan het voetje op en liet de rode vloeistof door het glas walsen, terwijl hij aandachtig bekeek wat er gebeurde. Nadat hij stopte met dit wijnwalsen, gleed de wijn stroperig langs het glas naar beneden. ‘Lelijke benen’, zei de man. Daarna hing hij overdreven zijn reukorgaan boven het glas en snoof zijn neusgaten vol met de geurstoffen, die aan het oppervlak waren ontsnapt en nu tot hun schrik en teleurstelling in een zwart harig gat verdwenen in plaats van de hemel te bestormen, zoals zaadcellen op hun verwachtingsvolle weg naar eeuwige versmelting geremd worden door het latex van een condoom. Hij trok een vies gezicht, zette het glas neer, en wendde zich tot de kelner, ‘Jelui weet niets meer van kwaliteit. Goedkoop vocht is het wat jullie hier serveren. Gaat hene en onthoud u van enige daden die kunnen leiden tot vermeerdering van uzelf.’
Le Bedoin had zijn glas reeds tot de bodem leeggedronken. Toen de schrijver dat bemerkte trok hij zijn wenkbrauwen zover op dat een profiel van jaren geleden tevoorschijn kwam, toen zijn gezicht nog strak en jeugdig was geweest. Le Bedoin deed alsof hij niets gezien en gehoord had van wat de man zei en ging verder waar hij gebleven was, ‘Het is het enige boek dat ik ooit gelezen heb van u. Ik ben niet zo’n lezer ziet u. Als ik lang zit en lees, dan krijg ik, hoe zal ik het zeggen, boekenballen.’ en hij sloeg daarbij de schrijver op zijn schouder en lachte hard om deze zelfverzonnen grap, ‘Net als Fignon toen die op het laatste ogenblik van LeMond verloor op de Champs Elysees tijdens die fameuze Tour de France. Toen zat die gesjeesde student ook met zo’n extra bal op de fiets.’ ‘Ik vind u boertig, maar ook vermakelijk en interessant in uw eenvoud, maar voor nu genoeg’, zei de schrijver, die zijn jasje met een zakdoekje afklopte op de plek waar Le Bedoin hem aangeraakt had, op een manier alsof hij ongedierte aan het verwijderen was. Hij stond op, en liep statig weg, minzaam glimlachend naar passanten, een wolk zoetige rook achterlatend.
Le Bedoin bleef zitten, de laatste woorden herkauwend van de schrijver, en voordat hij kon opstaan, zwierde een paar voorbij, dat menig mens in de ruimte een glimlach ontlokte. De man had een gezicht dat uit losse delen leek te bestaan, die werden bijeengehouden door onzichtbare krachten, die net niet sterk genoeg waren, zodat diepe kloven tussen de delen waren ontstaan. De vrouw had een schelle hoge lach, en een wat bleek gezicht waaromheen rode haren lang omlaag vielen, nat, alsof ze zo uit de douche gestapt was.
‘Wat dunkt u, beste man’, vroeg de man jolig, ‘zou ik morgen nog een prestatie op het veld kunnen neerzetten wanneer ik deze dame vannacht tot de mijne bestempel.’ De vrouw sloeg dubbel voorover en gierde het uit, en ware de schrijver met de fijne neus er nu geweest dan had zijn gevoelige geurdetector een vleugje vrijkomend lichaamsvocht geregistreerd. ‘Hxe9, maar bent u niet die fietser. Hxe9 wacht eens, ik heb nog een interessant stukje tekst voor u’, zei de man met het gegroefde gelaat. Hij rommelde in de binnenzak van zijn jasje, en de vrouw riep gillend van de lach, ‘Straks komt er nog een tijger uit, je weet wel, zo’n blauwe met zo’n zwarte erin.’ ‘Het is een leeuw, doos’, mompelde de man, en haalde er tot slot een verfrommeld stukje papier uit. Hij streek het plat, schraapte zijn keel, en zei, ‘Het is een tekst uit een bundel Sardijnse nachten’ en voordat hij verder kon gaan, hikte de vrouw, ‘Satijnse nachten, zal je bedoelen. Ja, laten we bedden met veel satijnen lakens opzoeken’, waarna de man haar met een welgemikte duw voorover een plant induwde, waar ze gillend van de lach bleef liggen. ‘En die dus binnenkort het licht zal zien’, ging hij daarna onverstoorbaar verder. Le Bedoin ging er eens voorzitten, en riep, ‘Je zit op je fiets te slapen, Dansertje, luilebal, de koers is al kilometers lang in volle gang.’
Ik, Le Danseur, keek om me heen en zag dat we reeds aan de voet van de Poggio waren gekomen. Ik had van de voorbije kilometers geen bewuste herinnering. Ergens onderweg was ik de lange rit langs de kust in een soort slaap-waak toestand te recht gekomen en fietste blijkbaar voldoende mee op de automatische piloot. Iedereen wist dat deze koers de laatste jaren altijd in een massasprint eindigde. Waar vroeger nog wel eens een verschil gemaakt werd op de Poggio door Merkx of Jalabert, was nu iedereen sterk genoeg om die helling in hoog tempo op te jagen. Wij hadden geen sprinters in de ploeg en reden dan ook meer mee voor de kilometers en het plezier dan voor de overwinning, hoezeer Le Bedoin ook altijd het tegendeel beweerde. Hij keek me woedend aan, maar omdat ik geen spelbreker wilde zijn, besloot ik hem maar te helpen, en zei, ‘Het is goed zo, jongen. Het is goed zo. Het is goed zo.’

22 March 2006
By on 15:04
Primadonna

15 maart 2006

Naarmate Milaan-San Remo, de Primavera, dichterbij kwam werd de blik van Le Bedoin steeds duisterder en grimmiger. De lijnen rond zijn mond, en rond zijn ooghoeken werden dieper en dieper, en begonnen zijn gelaat te tekenen. En vaker dan nodig kneep hij zijn ogen samen en trok een diepe frons in zijn voorhoofd, woest alsof de hele wereld hem net een groot onrecht had aangedaan. Een enkele keer kon hij lachen om een grap, maar voor het overige koerste hij strak voor zich uitkijkend.
De Omloop was nooit zijn hoogtepunt in het wielerjaar geweest en ook dit jaar had malheur hem getroffen. Het was een mooie, zonnige, maar koude dag geweest met een straffe wind. Maar Le Bedoin had last gehad van de riolering aan de binnenkant van zijn lijf, zodat hij af en toe moest stoppen om zijn fiets tegen een boom te zetten en alvast de berm eens flink te bemesten, waarbij toeschouwers niet zelden met enige walging zich afwendden. Zeker toen hij dit deed op de Kapelmuur, waar half Geraardsbergen kon zien wat Le Bedoin gegeten had en waarbij ook nog een opstootje ontstond toen enige van zijn meest trouwe en fanatieke fans streden om een onverteerd stuk kadet, dat uiteindelijk door xe9xe9n van hen, een groezelige bleke jongen met lange haren, als een relikwie werd meegenomen en in een jute tas gestopt.
Le Bedoins grimmigheid had evenwel niets te maken met dit soort bedrijfsongelukjes, of zijn gevecht tegen het laagje vet tussen huid en spier, waar hij nu reeds halverwege was van de beoogde afname. Nee, het had te maken met iets anders lijfelijks. Le Bedoin was oer in heel zijn wezen, niet alleen in zijn boertige gedrag, of in de gebloktheid van zijn lijf, maar ook in de manier waarop zijn lichaam bedekt was met het kapperskapitaal, haren. Meermalen kwam het voor dat blootbladen hem een aanbod deden om zich in the flesh, full Monty, te tonen aan de dames, zodat die voor eens en altijd zich een beeld konden vormen van de man zoals die ooit in de aard van de zaak geweest moest zijn, voordat die verweekt was door kleding en beschaving, haren verliezend en zich nichterig verzorgend latend bij de kapper. Tot op hun zakhaar toe, zoals ik laatst van een collega-renner hoorde, die via via gehoord had, dat een collega ondersteboven in de kappersstoel was gaan zitten, nadat die in de etalage het bordje Zakkammen 1 Euro gelezen had, zodat die nu met gecoiffuurde teelballen in het peloton rond reed. Maar wie deze gewaste zak was, was voor ons allen een raadsel.
Nee, Le Bedoin weigerde in beginsel buiten zijn kinnebaksel, ook maar xe9xe9n haar te verwijderen van de rest van zijn lichaam, terwijl de rest van ons het hele jaar door zijn benen schoor. Le Bedoin vond dat gewoonweg nuffig en nichterig, en noemde ons dan ook steevast fietsmieten, en beweerde dat hij de enige echte fietsmythe was. Hij was daardoor een bron van ergernis voor onze masseur, die al vloekend en tierend probeerde de benen van Le Bedoin op orde te brengen, zijn handen met olie verdwijnend in een oerwoud van haar. Zo af en toe had Le Bedoin genoeg van zijn gemekker en gesteun en dwong dan de beste man de helft van zijn onduidelijke en geheime pillen op te eten, die hij altijd bij zich had in een bruin valiesje met een geheim slot en dat hij alleen op uitdrukkelijk verzoek opende voor speciale gevallen. De man stuiterde dan enige dagen rond, zich heen en weer bewegend tussen bed, toilet en wastafel en in de tussentijd de meest afgrijselijke wartaal uitslaand. Nadat hij dan uitgeraasd was, begon hij weer omslachtig en voorzichtig aan de behaarde benen van Le Bedoin.
Maar hoezeer Le Bedoin ook gehecht was aan dat beenhaar, onze sponsor, een vermogend man, waarvan het gerucht ging dat hij aan de knapenliefde deed, stond er op dat tijdens de Primavera de boel eraf moest zijn. Hij zei dan steevast tegen Le Bedoin, ‘Jongen, ik wil je benen zien glimmen als die van een jonge maagd, en anders ga je maar aardappels rooien of in het circus werken als gorilla.’ Om dan vervolgens tegen ons allemaal te zeggen, ‘Ik wil dat jullie eruit zien als Primadonna’s, als jonge godenzonen. Ik wil dat jullie bewondering oogsten van de Italiaanse toeschouwers, man en vrouw gelijk.’ Steevast brulde Le Bedoin dan, ‘Ik wil er niet uitzien als een Cippolini, als zo’n mooie Mario, met gepommedeerde haren en Italiaanse flikkerkuiten. Ik wil eruit zien als een beest van de weg, La Bxeate de la Route, een te vrezen straatmonster!’ Waarna hij dan uren zoek was, zich tot kotsens toe afbeulend op zijn fiets, zodat de sponsor geleerd had dit soort zaken niet meer te berde te brengen de dag voor de koers zelve.
Dus zo was in de week voor de Primavera de spanning elk jaar te snijden. Parijs-Nice, dat misplaatst nog steeds de rit naar de zon genoemd werd, want die was al jaren zoek in deze koers, was vergeleken met deze week, een oase van rust. En iedereen wist dat hij uit de buurt moest blijven van Le Bedoin, wanneer we die naar de badkamer zagen gaan met een grote tube scheergel, een schaar, een scheermes en een grote fles verzachtende olie. Uit voorzorg gingen we dan tijdens dit ritueel een rondje extra trainen, zodat we bij thuiskomst een reden hadden om hem te mijden door uitgeput op onze bedden te gaan liggen.
Vandaag, woensdag 15 maart, was het zover. We zagen allemaal Le Bedoin zich opsluiten achter de deur waarop een bordje met een badend mensje geschroefd was. De wielerlente was nu echt begonnen!


By on 15:03
Wielerwals

03 januari 2006

Le Bedoin ademde rustig in en uit. Hij lag op zijn rug, zijn handen gevouwen op zijn borst. Af en toe schopte hij met een voet, of leek een vlieg van zijn neus af te slaan. Ik, Le Danseur, keek naar het raam. Het gordijn was gemaakt van een dik soort stof, dat nauwelijks licht doorliet. Het weinige licht dat naar binnen kwam, kleurde het interieur rossig. Het was net dag geworden en de zon stond recht op ons raam. Als ik goed keek, zag ik vaag de contouren van een bol licht achter het gordijn als bij een schimmenspel, alleen ontbraken de poppetjes, alhoewel de droom die ik vannacht gehad had, niet zou hebben misstaan in zo’n schaduwtheater.
Le Bedoin en ik waren op trainingsrit met de hele ploeg. Het was 1 januari vroeg in de ochtend. Volgens onze ploegleider was er geen betere start van het jaar dan vroeg op 1 januari te vertrekken en alle rotzooi van het afgelopen jaar er in een keer flink uit te fietsen. Bovendien was het goed voor het te veel aan de stiekeme middernachtelijke champagne, dacht ik erbij.
We fietsten langs de haven, waar boten lagen, in ruste nu, na een nacht van oudejaarsfeesten. In het water dreven her en der verspreid ontmantelde stukken vuurwerk. We hadden zelf een pijl de lucht ingeschoten en onder veel overdreven en uitbundig Oeh-en-Aah-geroep de lichtparaplu en de aansluitende knal bewonderd. Le Bedoin had op overdreven toon gezegd, dat hij niet door ons wilde worden gekust, behalve op zijn kont. Beducht als we waren voor zijn grappen was niemand op deze uitnodiging ingegaan.
We fietsen langs de kust en de frisse zeewind waaide het hoofd schoon totdat er geen gedachte aan het voorbije jaar of druppel alcohol in het bloed meer overbleef. We fietsten uren door wat langs een oneindige kuststrook leek, alsof we ons al aan het voorbereiden waren op de Primavera, Milaan-San Remo, maar dan zonder Cipressa of Poggio.
Ergens draaiden we van de kust het binnenland in. Langs een rivier reden we verder. In de rivier dreven resten van de afgelopen nacht. Een niet afgegaane vuurpijl, een halfverteerde oliebol, een astronaut met een hand, een oog dat glazig voor zich uitkeek, een glas schuimende champagne met de lippen er nog aan, rood. Hoe graag had ik deze lippen gekust, deze ochtend, deze nacht, deze zinnelijke volle lippen.
We fietsten een dorpje binnen. Van elk huis stond een raam open, waardoor noten naar buiten de straat op golfden. Hier een achtste tel, daar een kwartnoot, een serie achtsten of een string zestienden, een hoge C, een lage E. Daartussendoor klonk af en toe een stem, die kort en zakelijk aangaf wat er te horen viel. Een stem uit duizenden: Joop van Zijl. Het nieuwe jaar was definitief begonnen. De noten kringelden om ons heen, gleden door onze voorwielen, pakten een kuit beet, zaten op de stang, kropen in een oor of kriebelden in onze neusgaten.
Le Bedoin keek me aan en uit zijn mond kwam een serie noten gekropen, die ik herkende als het begin van een wals, van lang geleden. Ta tarara ta tata tata. De rivier stroomde, in vertraging, in versnelling, kolkend, ronddraaiend, stromend als nooit tevoren. De dirigent trok de noten uit tot het uiterste. Le Bedoin stopte, zette zijn fiets tegen de pui van een huis, en draaide in het rond, zoals een poppetje op een speeldoos. Zijn massieve lijf leek gevuld met veren, zo licht bewoog hij. Zo had ik alleen zijn zus ooit zien dansen, en diezelfde nacht een natte droom gehad.
Ik zag iedereen nu afstappen, en elkaar uitnodigen voor een walsje, een ronddraaien, een lichtvoetig ballet. Daar ging de ploegleider al door de lucht in een spagaat, en werd vlak voor de muur van een huis opgevangen. Hij kirde als een bakvis op een schoolfeest, en ik zag een kinderlijk gelukzalige glimlach op zijn anders zo getroebleerde gezicht.
De dirigent liet de noten klinken alsof hij hoogstpersoonlijk in elke strijkstok en snaar zat, alsof hij zelf het riet was dat trilde, of het vel van de trom, die beroerd werd. Je hoorde hem huilen om de schijnbare eenvoud van deze walsen en polka’s van de Straussfamilie.
Le Bedoin keek me aan en zei: “Darf ich um diesen Tanz bitten?”
Ik knikte en liet me leiden in zijn stevige armen. Hij drukte terloops, daarbij schalks kijkend, zijn kruis tegen me aan, en draaide me in het rond, totdat ik niet meer wist wat onder was of boven of voor of achter.
Toen de laatste noot van de rivierwals klonk, en de aankondiging voor het allerlaatste stuk kwam, ging iedereen in een rij staan, waarbij zich tweetallen vormden, hand in hand met een uitgezochte kameraad, zoals kinderen voordat ze de school in mogen als de bel geklonken heeft. Ik stond naast Le Bedoin, en we wisten welk stuk er komen ging. Toen de eerste maten klonken begon iedereen te marcheren. Door literatuur of film wijsgeworden begon iemand vooraan eerst zacht, en daarna steeds luider en luider, te zingen: Tietekont, tietekont, tietekontkontkont. Weldra werd het door iedereen overgenomen, en de huizen trilden op hun grondvesten, door dit in de maat gezongen lied.
Op wat het hoogtepunt leek, kwam uit de grond een fallus gerezen met als eikel de grijnzende tronie van Wolkers. De dirigent zweepte het orkest nog verder op, totdat ze niet meer konden en hem smeekten op te houden in dit orgasme van geluid. Hij lachte slechts, daarbij aangespoord door de oude grijze beeldhouwer, die vitaler leek dan ooit. Pas toen de strijkers hun violen in vlammen streken, verstomde het geluid. Als bij toverslag zat iedereen weer op de fiets, alsof er nooit wat gebeurd was in deze dorpsstraat. We reden de bergen in, de zon tegemoet, die me wakker maakte met haar licht.
Le Bedoin draaide zich om, krabde aan zijn kruis, boerde, deed een oog open en zei: “Mogge, dansertje van me”. Hij rochelde, en spoog een fluim, zorgvuldig mikkend, met een boog de wasbak in, waar die langzaam door de zwaartekracht de afvoer in getrokken werd, een geel spoor op het witte porselein achterlatend. Goedemorgen wielerwerkelijkheid.

11 January 2006
By on 17:23
Oliebollenkoers

30 december 2005

Le Bedoin lag languit op zijn rug, naakt, op bed, alleen zijn hoofd was iets opgericht. Ik, le Danseur, en hij, waren op een trainingskamp en lagen in een hotelkamer. De zon scheen overdag en maakte het fietsen aangenaam. Onze kamer bevatte niet meer dan twee bedden, twee stoelen, een grote staande kast en een klein formaat kastje, dat tussen onze bedden instond.
Le Bedoin bewoog zijn voeten heen en weer. Telkens drukte hij eerst zijn hakken weg, waardoor zijn voeten loodrecht op zijn onderbenen kwamen te staan. Zijn kuitspieren spanden zich tot het uiterste. Daarna klapte hij zijn tenen naar achteren, waardoor in zijn kuiten een soort golfbeweging ontstond. Hij bromde telkenmale:
“Als ik mijn voeten zo plat heb, dan kan ik ze niet eens over mijn buik heen zien.”
Ik wist wat hij bedoelde. Hij was te dik. Le Bedoin was massief, en in de winter wanneer we minder vaak en hard koersten, begon er een reep vet te groeien onder zijn huid, als spek op het varkensvlees. Op sommige plekken sterker dan op andere. De spieren werden bedekt met een laag zachte dril. Zijn gevecht elk seizoen was dan ook niet het gevecht tegen de lange kilometers, de verzengende zon, de striemende regen, de ijzige kou, de spuwende toeschouwers of zijn geslepen mederenners, maar eerder om dit laagje vet weg te werken. Dit laagje moest verdwijnen om voluit te kunnen gaan, zoals het ijs moet verdwijnen voordat er in de volle wind gezeild kan worden op de plas.
Hij zat de eerste koersen altijd met dikke billen in het peloton. Er waren renners, die hem bij deze koersen uitlachten en dan hard van hem wegreden, terwijl ze koeiengeluiden maakten. Maar als het seizoen vorderde werd hij sterker en sterker, en reed hij hen finaal aan flarden. Een keer had hij zo’n potsenmaker na afloop van een dag koersen in de houtgreep genomen, zijn eigen koersbroek omlaag gedaan, diens neus tussen zijn machtige billen geklemd en een knallend natte scheet gelaten. De jongen had gegild als een mager speenvarken en de omstanders hadden hun blazen geleegd in hun broeken. Bedremmeld was de jongen afgedropen, kokhalzend, en zijn neusgaten een voor een schoonmakend, door een gat dicht te houden en door het andere krachtig uit te blazen. Dagenlang had die jongen stukjes muesli en andere onverteerde resten gesnoten. We hielden van Le Bedoin vanwege dit soort praktische grappen. Hij was er om berucht.
“Daar is-tie” gilde het door de kamer. Le Bedoins mobiele telefoon ging. Hij pakte het toestel, keek naar het nummer, en baste in het Frans: “Oui, Bxe8, qu’est qu’il y a?” Ik wist wie het was. De kniexebnkoning. Zo noemden we hem, omdat hij doorlopend last van ontstekingen in zijn kniexebn. We hadden hem er al vaak op gewezen dat hij te groot reed, en dat dat de reden zou kunnen zijn van zijn malheur, maar hij had slechts zijn hoofd geschud en stuurs gezegd dat deze oude vos zich niet te pakken liet nemen door adviezen van die Hollanders. Hij was immers tien jaar ouder dan wij.
Hij was eigenwijs, deze Fransoos. Hij reed desnoods zichzelf compleet kapot in de vaak steenkoude koersen van het Belgische voorjaar om zijn gelijk te halen. Het had hem ooit een tourzege gekost. En zo had aan het zoet van de overwinning van Jezet toch een zure bijsmaak gezeten. We hadden er niet minder champagne om gedronken die avond, en zelfs onze ploegleider toen, Pepo, had die avond toegegeven dat winnen niet altijd mogelijk was op louter de biologische producten A tot en met X van boer Y uit Z. ‘s Anderendaags was hij er natuurlijk op teruggekomen, maar toen wist iedereen al beter.
Le Bedoin zat nog steeds met Bxe8 aan de lijn, en uit zijn woorden kon ik opmaken dat ze hun figuren met elkaar aan het vergelijken waren. Bxe8 verweet Le Bedoin dat hij op hem begon te lijken. Sterker nog, hij leek nu bijna wel een kloon van hem, en honend had Bxe8 Le Bedoin gevraagd of zijn ouders wel zijn echte verwekkers waren. Le Bedoins gezicht betrok meer en meer tijdens het gesprek. Bxe8 zei dat Le Bedoin zich toch wel moest realiseren dat er maar een Bxe8 was, te weten hijzelf, Super Bxe8, en dat dat ook zo moest blijven. Want wie was le Bedoin nu helemaal? Een Hollander die kon fietsen. Nou en? Ik zag de aderen in Le Bedoins nek langzaam opzwellen, en zijn gezicht werd allengs roder en roder. Toen Bxe8 tenslotte zei dat Le Bedoin hoogstens Bxe8Bxe8 zou worden, knalde Le Bedoin uit elkaar, en schreeuwde ‘Klootzak’ in de hoorn, drukte op de knop en smeet de telefoon tegen de muur. Waar het mobieltje de muur raakte spatten stukken kalk in het rond, en van het mobieltje braken stukken af. “Ale, Le Bedoin, reste calme”, riep ik, maar hij brieste nog voordat ik iets verder kon zeggen:
” Ik rijd die achterlijke Breton uit zijn broek volgend jaar. Ik zal hem laten smeken om zijn moedertje, die reeds bedorven Brie. Ik pijnig hem persoonlijk, in een tweegevecht, deze wielerclown, deze overjarige zelfverklaarde legende.”
Om de stemming wat te veranderen bood ik Le Bedoin een oliebolletje aan, voordat hij zijn woede op mij zou koelen, want zijn driftbuien waren evenals zijn grappen berucht en nietsontziend. Zo had hij eens, toen hij het niet eens was met een beslissing van de jury, zijn frame in tweexebn gebroken en de stukken voor de jurytafel gesmeten. En voordat hij dingen zou gaan zeggen, waar ik in betrokken zou worden, en mee zou doen uit een gevoel van solidariteit. En als de muren oren hadden en Bxe8 zou het gezegde horen, dan zou het voortdurend in zwaar weer fietsen worden dit seizoen, want ook Bxe8 was berucht om zijn driftbuien. Le Bedoin keek me aan of ik hem om zijn eer vroeg, maar nam tenslotte toch de oliebol aan. Gretig zette hij zijn tanden erin, en spoog onmiddellijk de hap uit.
“Getver, wat is dit voor vogelvetbol? Is-tie oliebollenboer het in zijn bol geslagen?”
Hij keek me woedend aan. Ik legde hem uit, dat het budget van de ploeg dit seizoen niet veel ruimte liet voor de bollen van onze vertrouwde privxe9 ploegbollenboer, en dat we daarom hadden moeten uitwijken naar een goedkopere koekenbakker, hier uit de buurt. Le Bedoin gromde wat en stak zijn hand uit. Ik legde er gedwee nog een bol in. Ik was blij dat hij zijn woede koelde met het eten van deze oliebollen, die hij nu werktuigelijk in een hoog tempo naar binnen begon te werken.
Na tien bollen begon er iets te veranderen aan zijn lichaamshouding, eerst nauwelijks merkbaar, daarna steeds duidelijker en zichtbaarder. Hij richtte zijn bovenlijf af en toe op, strekte zich dan weer geheel uit, of tilde zijn billen van het matras. En toen hij weer een bol naar binnen schrokte, gebeurde er iets, dat in een circus niet misstaan zou hebben. Alle spieren van zijn lichaam spanden zich, hij tilde zijn billen van het matras, en kantelde zijn bekken wat naar voren. Hij stak zijn hand naar mij uit met een gestrekte wijsvinger. Hij zei slechts: ‘Trekken’, en terwijl ik dat deed mitrailleerde hij een salvo onverteerde krenten uit zijn massieve achterste tegen de muur. Voldaan liet hij zich terugzakken, liet een boer, draaide zich om en zei: “Tot morgen, ik ga pitten. Bij deze is Bxe8 geschiedenis, dansertje van me”. Binnen een paar minuten ronkte hij.
Vaag kon ik bruine spikkels ontwaren op de smetteloos witte muur. De stank in de kamer was niet te harden en ik lachte mijn gezicht nat. Het zag er goed uit voor het komende seizoen.


By on 17:23
Vlaanderen boven

12 Augustus 2005

‘Vlaanderen boven’ zong Raymond van het Groenewoud ooit, en dat zou het vandaag worden. Alleen, zonder le Bedoin, of zijn zus, La Bedoine, zou ik, le Danseur, vandaag fietsen. De finale van de Ronde van Vlaanderen, althans het overgrote deel ervan. Te beginnen vanuit Oudenaarde, en te eindigen in Brakel. Het weer was Vlaams, zo voelde het in ieder geval. Harde westenwind, voorbij vliegende wolken, zon, en af en toe harde regenbuien.
Oudenaarde lag er rustig en mooi bij deze dag. Ik zag haar lopen over de markt in het centrum. Ze had een bontmanteltje aan, dat, omdat het kort was, haar brede heupen accentueerde. Haar bovenlijf helde licht naar achteren om het evenwicht met de voorkant te bewaren. Ze had een rokje aan dat net boven de knie eindigde. Haar panty’s waren licht van kleur, en eindigden in halfhoge laarsjes. Haar rode haar was opgestoken, en vastgezet met een paar spelden. Het gezicht was wit bepoederd, alsof ze zo voorover gevallen was in een kom met bloem. Haar lippen waren strak, glimmend en vuurrood. Ik keek haar na totdat ze verdween om de hoek van het stadhuis. Ik glimlachte, dacht aan Belgische bonbons, stapte op en reed in een rechte lijn, zoals het parcours dit jaar dat voorschreef, naar Berchem, naar de Oude Kwaremont. De weg glooide licht, maar was breed en saai.
Links van mij lagen de Vlaamse Ardennen, uitdagend als een mooie vrouw, klaar om veroverd te worden. Ik fietste voorbij het bord dat verwees naar de Koppenberg. Ah, de adrenaline steeg. Ik moest me bedwingen om niet als een jonge hond er hier al in te duiken. Nog even, nog even wachten, het verlangen nog even groter laten worden. Zoals wanneer je op pad gaat met iemand die je raakt, en je jezelf bedwingt om niet gelijk toe te slaan. Niet het gaspedaal direct tot op de bodem indrukken, maar uitstellen tot het ogenblik, dat je bijna uit elkaar knalt van verlangen. De akker geploegd, het zaad gezaaid, dan uiteindelijk de oogst.
Ik fietste door, steeds kijkend naar die heuvels, die daar lagen tegen een achtergrond van dreigende wolken, voortjagende wind en flarden zonneschijn. Ah, eindelijk Berchem, eindelijk, daar begon het. Eindelijk de draai naar links, die het mogelijk maakt om te gaan klimmen.
De Oude Kwaremont was het eerste obstakel. Ik wist van de rit met Van Pee en le Bedoin wat me te wachten stond. Kasseien, soms regelmatig, soms onregelmatig, geen bijzonder steile weg, maar wel steeds dwingend omhoog. Ik pakte gelijk de goede versnelling en stuiterde over de kasseien omhoog. Zonder al te veel problemen geraakte ik boven. Dit voelde beter dan de klim van het begin van dit jaar. Het leed leek reeds geleden dit jaar.
De Paterberg was kort, maar extreem steil. Halverwege voelde ik hevige pijn, en stond bijna stil. Tegelijk kwam een regenbui naar beneden, waardoor de stenen nat werden. En gelijk zoveel renners voor mij, hield het fietsen stilletjes aan op, en werd het bijna lopen. Ik slipte, kwam tussen de stenen terecht, en, poef, stond stil. Ah, damn! De Koppenberg was van hetzelfde kaliber, dodelijke combinatie van kasseien en helling. Het was niet anders, lopen. Alles wat hierna kwam, was niet te vergelijken met deze twee. Kasseien of niet, niets zou meer zo’n pijn doen als deze twee klimmen.
Langzaam werd het duidelijk waarom sommige renners deze ronde nooit rijden. Het rijden door deze heuvels, dit schone land met zijn kleine smalle wegen, zijn gekke hoekjes, zijn levensgevaarlijke afdalingen over modder-en-klei-wegen, die bestaan uit betonplaten met gaten, en door het asfalt heen barstende wortels, is zwaar. Je komt niet in een ritme, want daarvoor verandert de weg elke keer weer. Je kunt niet rustig zitten en klimmen, want daarvoor zijn de klimmen te kort en te onregelmatig.
Dit is het landschap voor de mannen met poten van beton, met spieren als staalkabels, die als crossers gewend zijn aan slijk, modder, drek en kuitenzagende hellingen, en het uithoudingsvermogen hebben van Belgische werkpaarden, die de hele dag gestaag in de klei kunnen zwoegen en nooit doodgaan.
Ik voelde hoe ik langzaam leeg gezogen werd in deze smidse der beproeving. Op de Steenberg was het op, en pas nadat ik onderweg een cola opgepikt had was de rest afwikkeling. Waar vorig jaar de Leberg en de Berendries nog monsters geleken hadden, vloog ik daar nu overheen om tot slot bij Ten Bosse in Brakel uit te komen. Vooraf zag ik tegen deze helling op, maar het bleek een overschatte helling te zijn, want uiteindelijk snel te nemen. Misschien had dit te maken met al het voorgaande. Na zoveel kilometers wordt ondanks de vermoeidheid, het uiteindelijke leed kleiner, want kan het immers nog erger worden. Boven op Ten Bosse lag de finish voor vandaag. Ik bolde uit naar Oudenaarde.
“Gij zijt een schriele”, hoorde ik plots achter me zeggen. “Ge zijt er ene uit het Noorde”.
Ik draaide me om en herkende haar. Ze lachte een rij gouden tanden bloot. Ze had haar manteltje openhangen.
“Kom maar eens mee menneke, dan zal ik u eens goed soigneren”. En voor ik iets kon zeggen, drukte ze me tegen haar omvangrijke boezem aan. Over de rand van haar truitje bolde het zachte vlees, gelijk melk die overkookt. In mijn neus drong de geur van zoete parfum en jaren van lichamelijke arbeid. Voor een ogenblik gaf ik me over aan deze omhelzing.
‘Vlaanderen boven’ inderdaad, dat is het. Dit is mooier dan de Amstel Golden Race in Nederland. Dit is het land waar je de Heer inderdaad looft, uit dank dat je het gehaald hebt, en zelfs omvangrijke madammen uiteindelijk als schoonheden kunnen paraderen, wanneer je uitgeput aan zinsbegoocheling gaat lijden. In dit land, waar alleen de krachtigen, de bonkigen en schonkigen wortelen, en elkaar als schoonheden kunnen omarmen.
Ik kwam bij, maakte me los uit haar armen, en schudde mijn hoofd. Bits zei ze:
“Jullie ‘Ollanders zult hier nie echt gewinnen”. Ze beende weg, haar jasje dichtknopend en een kwat op de grond spugend.
Ik dacht aan de landgenoten die hier gewonnen hadden in 89 Rondes. Het was ondanks alles, toch wel een mager lijstje: Van Est, de Roo, Dolman, Bal, Raas (twee keer), Kuiper, Lammerts en Van der Poel. Inderdaad dit is geen land voor de ielen, de mageren, de schriele mennekes, die vanuit het Noorden. Hier, in dit land, krijgt alleen heroxefek zijn diepste betekenis, door de Vlamingen zelf, wordt het geschreven met een grote letter H. Hier brult de leeuw, niet zoals die Hollandse, uit trots, maar uit kracht, ontstaan uit wind, drek en klei.

23 December 2005
By on 10:35
Waterloo op Camerig

31 juli 2005

Ik had me voorgenomen deze koers, de Amstel Gold Race, veel te blijven zitten en op de macht, wanneer dit kon, te blijven klimmen. De grote plaat er zo lang mogelijk ophouden, dat was het devies. Ik wilde weten, vandaag, of ik zou kunnen fietsen zoals le Bedoin. Het zou een gevecht worden met de tandwielen, zoveel was duidelijk. Ik moest precies schakelen, want elke ongelukkige schakeling zou op een klim noodlottig worden. De testrit, die aan deze dag voorafging, waarbij de Grebbeberg, van de Wageningse kant, en het Paardeveld, col de Cheval, in Rhenen, scherprechters in Veenendaal-Veenendaal, hadden gefigureerd, had dit geleerd. Wanneer ik van de grote plaat terug moest schakelen, dan hing het er van af, waar de ketting op de kleine tandwielen lag. Als die op het grootste tandwiel lag, dan draaide ik gelijk dol, lag die te hoog, dan kraakte mijn kuiten.
De start was traag geweest vanochtend door transportmoeilijkheden. Voordat we aan de klim begonnen uit Maastricht hadden we al een uur verloren. Het weer zou een belangrijke factor worden. Het weersbericht had voorspeld, dat regen, buiig van karakter, in de middag zou komen. Dus we moesten nu veel rijden, om niet het risico te lopen door en door nat te worden voor dat de finale op de Cauberg zou beginnen. Een straffe wind joeg de wolken boven ons hoofd voort. De afgelopen week was het wisselvallig weer geweest. Woensdag tijdens de trainingsrit had het geleken alsof ik in een sauna reed. Het was vochtig warm geweest, alsof je door een klamme, warme deken omgeven werd. Het zweet bleef op mijn lichaam plakken, en mijn ogen waren pijnlijk geweest van het zweet, dat ik er maar niet uit kon weg wrijven.
Le Bedoins fiets kraakte bij elke trap. Op zijn fiets zaten aangekoekte resten van een eerdere tocht. Blijkbaar had hij niet de moeite genomen om hem schoon te maken. Naar de reden waarom was alleen maar te gissen. Hem dit nu te vragen leek me ongepast, omdat het hem in verlegenheid zou kunnen brengen. Wellicht was het arrogantie, en wilde hij laten zien, dat hij zelfs met een ongeprepareerde fiets mij vandaag op de Limburgse hellingen aan gort zou kunnen rijden. Wellicht was het ook nonchalance, die zo bij hem leek te horen. In de vaart van het leven, was hem dit ontgaan, of had het geen hoge prioriteit gehad.
De klim vanuit Maastricht liep soepel, en zij aan zij klommen we omhoog. Ik kon blijven zitten, terwijl ik op de grote plaat bleef rijden. Dit voelde prima, zo zou het verder moeten. Een groot deel van het parcours liep over de Mergelland route, en voerde langs al het schoons dat Limburg hier in dit deel rijk aan is. Wellicht dat het slechte weer in ons voordeel zou werken, en de weg daarom rustig zou blijven. Iets voorbij Slenaken begon het te regenen. De wind joeg een gordijn van water over ons heen, een waaier van druppels meer dan dikke stralen. De afdaling naar Gulpen werd daardoor gevaarlijk. Maar vol overgave en in het bezit van de nodige stuurmanskunst stortten we ons naar beneden. Een regenjas was comfortbal voor de afdaling, maar dodelijk in de klimmetjes omdat je ontplofte van de warmte. Ik besloot mijn jas met drukknoopjes aan te doen, zodat ik kon varixebren gedurende de afdalingen en klimmetjes. Le Bedoin had een licht jasje aan, wat bolde aan de achterkant wanneer hij heuvel af ging. Alsof hij een zuurstoftank onder zijn jasje meedroeg. Hij draaide zich om en riep dat hij het koud op zijn maag had. De wind gierde door zijn jasje heen. Ik merkte dat ik de afdalingen niet goed verteerde. De wind drukte mijn adem via mijn maag achter in mijn rennersbroek. Ik kon daardoor niet goed doorademen. Ik voelde gelijk krachten weglopen, wat waanzin was op deze afdalingen. Hier moest ik juist recupereren.
Bij Camerig gingen we weer omhoog. Le Bedoin zette aan. Ik hing direct aan het elastiek. De grote plaat sneed in mijn kuiten. Ik voelde dat ik nog net aan kon haken, maar de vraag was hoelang. Mijn achterpion zat niet goed, op een te klein tandwiel door de afdaling. Ik moest nu twee dingen doen die tegengesteld waren. Van de grote plaat af, en gelijk opschakelen naar een iets groter tandwiel, zonder dat ik in dat dollemans draaien kwam van de kleinste versnelling, en ik geen goed ritme zou kunnen vinden. Ik trek dit niet meer. Schakelen! Nu! Maar hoe deze tegengestelde beweging te maken zonder dat de tandwielen en de ketting me om de oren zouden vliegen, was me onduidelijk. Le Bedoin ging er eens goed voor zitten en fietste er lustig op los. Ik trek dit niet meer. Ik moet nu! Dan maar eerst de kleinste versnelling achter en daarna opschakelen. Pats, direct draaide ik door, en kon niet goed opschakelen, want daarvoor werd het net te steil. Dan maar draaien in dit ritme en verderop proberen. Weg plannen en voornemens. Van opzij kwam een lauwe regenwind. Zweet en regen mengden zich tot een smerig stinkend goedje.
Plots werd het hele landschap vaag door een mist van regen, die steeds dichter begon te worden. Ik vond langzaam mijn ritme terug in het bos op weg naar Vijlen. Onder de bomen was de regen te verdragen. Le Bedoin lag ver voor me. Ik besloot mijn eigen tempo nu even te rijden. Af en toe kwam ik uit het zadel, tegen mijn eigen afspraken in, om tempo te kunnen maken en door te rijden.
Toen we bovenkwamen uit het bos, begon het plots te hosen. Dikke stralen water kwamen naar beneden. Waaiers van water liepen schuin over de weg. Vijlen lag vlakbij, maar leek in de verte door het gordijn van water, dat voor ons hing. Langs de kant van de weg liepen modderstromen naar beneden, die dan verderop over de weg heen gingen.
Het water begon overal door heen te dringen en Le Bedoin mopperde dat alles nu nat werd. Hij had het koud in de afdaling naar Vijlen. Ik kwam naast hem rijden en zag dat de scherpte er af was. Hij was wat wit weggetrokken en waterstralen liepen langs zijn gezicht de hals van zijn jas in. Hij schreeuwde dat hij tegen een hongerklop aan zat. Het ogenblik dat de laatste resten energie uit je getrokken worden en je niets meer lijkt te kunnen opnemen. De wereld wordt beperkt tot de weg voor je. Pas in Vaals zouden we weer eten. Ik wist dat le Bedoin met zijn sterke lijf dit aankon, en zou terugschakelen naar een versnelling, waarmee hij zou kunnen blijven rijden, zonder echt dood te gaan.
In Vaals kwam het langverwachte gebak, en le Bedoin, die het laatste stuk rillend op de fiets gezeten had, zette zijn tanden er gretig. Hij had het overleefd, en langzaam kwam de kleur weer terug in zijn gelaat. In de beklimming naar het Drielandenpunt zag ik hem weer fietsen, zoals ik hem ken, krachtig malend en stil zittend. Na Camerig lukte het me niet meer om de grote plaat in de klim erop te houden. Mijn missie was mislukt, het was niet anders. Tom Poes verzin een list. Ik moest verder op het kleine verzet. Af en toe had ik het gevoel achteruit te fietsen. In gedachten had ik de kijkers aangeraden de televisie uit te zetten. Fietsen hoort esthetisch te zijn. Mooi zittend in het zadel, regelmatig trappend en een mooie staanstand. Maar wat ik nu deed, wat stoempen, zwoegen met vierkante wielen, kwijl uit neus en mond en het zwart voor de ogen. Waar leek dit op. Nergens!
Ik keek af en toe gewoon naar het stukje weg, vlak voor mijn wiel, en niet verder dan dat. Als ik dit deed, dan kwam ik vanzelf boven. Dat boven dat soms zo ver wegleek, dat ik dacht, hoe kom ik daar ooit? Dat stukje vlak voor mijn wiel, dat kon ik aan, dat kon ik overbruggen. Als ik dat steeds kon, dan had ik uiteindelijk dat andere ook overbrugd.
Ondertussen regende het weer en we ploegden voort door dikke regenstralen. In het Vijlenerbos voelde ik langzaam wat kracht terugkomen. Kwam ik dan toch in de volgende adem? Iets van de pijn in mijn benen leek weg te gaan, en af en toe kwam zelfs de grote plaat weer in zicht. Tot in Valkenburg leek ik plots te kunnen doorracen, le Bedoin af en toe achter me latend. De wind was pal tegen, maar dat leek me nu even niet te kunnen deren. In Valkenburg kregen we cola aangereikt en de heilzame werking daarvan werd direct merkbaar in de klim naar Sibbe, een mooie regelmatige helling door het bos boven naar het dorpje. Ik kon voor het eerst weer schakelen op de grote plaat en wanneer dat niet lukte op grotere versnellingen dan de kleinste. En waar eerder mijn ketting in klimmetjes vast was komen te zitten achter mijn kleinste tandwiel, doordat ik te hard aan mijn versnellingspookje trok, was er nu de beheersing om rustig te schakelen, zonder geweld.
Op de laatste klim, de Cauberg, reed le Bedoin soeverein weg, en halverwege zette ik een voet aan de grond, omdat de pijn in mijn bovenbenen te groot werd. Ik besloot van de nood een deugd te maken, trok mijn regenjas uit, deed mijn shirt goed en reed rustig, esthetisch onder de brug door waar de finish is, de bevrijding voor vandaag tegemoet. Le Bedoin wachtte boven en we schudden elkaar de hand: “Goed gedaan jochie”, zeiden we tegen elkaar.

21 November 2005
By on 18:08
Nog niet de Oude

26 februari 2005

Gedriexebn gingen we op pad. Le Bedoin, VanPee en ik, le Danseur. VanPee had ons beloofd mee te nemen naar de Oude Kwaremont. Een bijtertje in veel van de rondes die Vlaanderen rijk is, waarvan er uiteraard een bovenuit steekt: de Ronde van Vlaanderen.
Een ronde voor mannen van staal. Zoals Karel van Wijnendaele het zei: “In de smidse der beproeving wordt het karakter gestaald”. Een tocht voor mannen met ballen. En dan niet van die bleke jongensballetjes met donzig pluizig haar erop en het wiegestro er nog aan. Nee, volle ballen, mannelijke kloten, waar een stier een eindje voor om loopt, met ruig borstelig haar erop en die door de diepste krochten van de wereld gereisd hadden. VanPee had hem ooit gewonnen. Hij had zulke kloten. VanPee trapte een rustig verzet, en leidde ons naar de voet van de beklimming. Het ging licht omhoog en ik probeerde het juiste verzet te vinden. Ik schakelde mis, zat direct een paar tanden te hoog en trapte mijn wielen vierkant. VanPee peddelde rustig weg. Le Bedoin had zijn versnelling al gevonden, zette zijn massieve achterste eens goed op zijn zadel, en draaide onverstoorbaar omhoog, zoals immer.
Ik bungelde niet eens aan het elastiek, ik was er gewoon niet bij. Vlot eraf gereden, in de eerste honderd meter. Ik schakelde lichter, veel te licht, en draaide als een dolle door. Ik rommelde aan de handel, verdoeme, schakel goed kreng!
Langzaam werd het steiler. De kasseien lagen onregelmatig in het zand. Ik stuiterde omhoog, hoppend van de ene naar de andere kassei en gleuf. Ver voor me zag ik het witte shirt van VanPee. Hij ging staan, strekte zijn rug onmerkbaar even, en ging weer zitten. Hij keek niet om. Hij zou ons vandaag fietsles geven, had hij gezegd. Maar wat bedoelde hij?
Zou hij ons leren hier omhoog te rijden? Mee fietsen, aanwijzingen geven? Versnelling zus, versnelling zo, tandje erbij, tandje eraf? Of zou hij ons in de smidse leiden? En laten voelen wat het is om eraf gereden te kunnen worden? En te voelen wat is het is om te kiezen in de koers.
Of je haakt aan…. Het zwart voor de ogen. In die beangstigende tunnel van de donkerte. Je adem achter je maag, je darminhoud op knallen in je reetspleet. En alsmaar denkend: ik stop nu, nu, nu! Om dan bovenkomend, en kwijlslijmend uit je mond, dat orgastische gevoel te hebben van geen pijn meer, en te leven, er te zijn. Meetellend voor die eerste plek
Of je haakt niet aan… en je bent gezien. Er is geen hoop meer. Je rijdt in het niemandsland tussen de eerste en de laatste plek. Natuurlijk, mogelijk nog het podium, is ook mooi. Maar wie de tweede plek had, en al wat volgt, wordt vergeten. Er ligt geen steen met je naam erop in het Ronde museum van Oudenaerde. Niets ligt er van je. Een voetnoot in de geschiedenis is het hoogst haalbare.
Ik zag Le Bedoin vlak acher VanPee malen. LeBedoin had me van tevoren bestookt met allerlei details van allerlei renners uit allerlei koersen van allerlei landen. Hij bestudeerde alles wat hij kon via het Internet. Om elk jaar in allerhande spelletjes ploegen te laten meedoen, waarbij ingewikkelde berekeningen leidden tot ingewikkelde puntentellingen voor renners met voor mij onbegrijpelijke klassementen en jargon.
Het was een heus circuit waar hij deel van uitmaakte. Mannen, voor mijn gevoel alleen mannen, die avond aan avond bezig waren te doen, wat ze in het echt niet waren: ploegleider zijn. Voor het ogenblik diegene zijn, die zou kunnen winnen met zijn renners in de koers. Met kennis en inzicht. Wie had het talent van het jaar gespot? Wie wist als allereerste dat deze en deze renner gedoemd was te falen dit koersjaar? Of van zo en zo renner kennis had te weten dat die de revelatie van dit seizoen zou zijn? En terwijl hun vrouwen zich in bed scheel lagen te vervelen nog even om geduld vroegen totdat ze zelf scheel van vermoeidheid achter het beeldscherm in slaap vielen. Ze behoorden tot het ‘gilde der verstandhebbers van’.
Ik had nu nergens, zo gezien, ergens verstand van. Ik kon niet harder al had ik gewild. Ik voelde mijn adem achter mijn maag en kon niet diep komen. Ik trapte, maar fietste niet. Ik schakelde, maar nooit goed. Ergens zat er een achtergebleven stuk griep in mijn longen. De griep die het zuiden van Nederland in zijn greep gehouden had en mij was langs gescheerd. Of was het het afscheid van een lief geweest, dat in mijn poten hing? Ik had X. vorig jaar ontmoet, maar voorbij verliefdheid was het niet gekomen. Er werd niets aan toegevoegd, zodat ik na dagen van maagpijndenken had besloten de knoop door te hakken om alleen in het leven verder te fietsen.
VanPee stond bovenaan tegen een heg ontspannen een reep te eten. LeBedoin was vlak achter hem op de top gekomen. Ze waren al weer bijna afgekoeld toen ik bovenkwam. Duizelig, met een golf zuur in de mond en een reep bruin in de broek.
Er was veel te doen voor dit seizoen.

7 November 2005
By on 17:25
Het Waalse afzien

Dinsdag 10 Augustus 2004

We reden met 50 kilometer per uur de heuvel af op weg naar Remourchamps. De avond ervoor hadden le Bedoin en ik hier heuvel op onze klimtijdrit gereden. 3.6 kilometer lang. Beneden was ik weggesprongen, tik-tik-tak uit het zadel om na dertien en halve minuut de meet te passeren. Le Bedoin volgde op anderhalve minuut. Een geweldig gevoel.
Onderaan in het dorp stond het aangegeven, de Redoute, onze bestemming voor deze avond. Een van de scherprechters in de Waalse klassieker Luik-Bastenaken-Luik. Maar was het nu Le of La Redoute? Zou het een mannelijke of vrouwelijke strijd worden?
Als het ‘Le’ was dan zou het een strijd der titanen worden. Gelijk een boks- of worstelwedstrijd. Man met fiets tegen berg met helling. Tot het uiterste zou de berg zich verdedigen en mij gruis in de wielen gooien. Onverwacht kapot wegdek voorschotelen; kuilen waar mijn wielen in zouden knakken. Stukjes vals plat geven, die de pijn in benen ondraaglijk zouden maken.
Maar als het ‘La’ was dan zou het als een tango zijn. Als een verleidelijke dans van twee geliefden. Man met fiets en berg met rondingen. En zij zou hem langzaam naar zich toe halen als de liefde gevoeld zou worden. Zij zou hem plagerig pijn laten voelen om dan plots het asfalt te verzachten. Over haar rondingen zou hij glijden, en zij zou zich plooien naar zijn rijstijl. En op het hoogste punt zouden zij met een zucht afscheid nemen. En zij zou fluisteren, ‘Tot de volgende keer. Het ga je goed’.
Het was La Redoute. Het stond helder en scherp op het bordje. Dit zou een liefdesdans worden. Ik dacht aan een liefde van langvervlogen tijden met wie ik menig berg bedwongen had.
Vanuit het dorp begon de weg direct te stijgen. Het eerste deel reden Le Bedoin en ik samen. We draaiden naar rechts onder de snelweg Luik-Bastogne door. Daar begon de klim pas goed. Ik, Le Danseur, danste weg, om het liefdesspel op de wagen te zetten. Langs de snelweg op, en dan naar links, naar de steen met de tekst die aangaf dat het hier gebeurde in Luik-Bastenaken-Luik. De klim was ongemeen steil. Op de weg stond geschreven “Phil” in grote witte letters. De lokale held bleek bij navraag, die het hier moest doen. Ik ging zo langzaam, dat ik de letters traag onder mijn wiel doorzag gaan.
Ergens werd VdB en son chien en andere richting uitgewezen. Ze waren duidelijk niet op op hem gesteld hier. Franck VandenBroecke met zijn dopingverhalen en de drog voor de hond.
Ik kwam op het steilste stuk en wankelde. Maar week niet. Waarom was deze berg mij niet welgezind? Ik hield toch van haar als een renner. In een flits zag ik het gezicht van mijn oude vlam, en realiseerde me, deze berg is jaloers. Veeleisend, wij zijn er alleen voor elkaar nu. Dit is wat wij hebben. Zij verdraagt geen gedachte aan een ander, zelfs als die geschiedenis is. En dat liet ze me voelen. Maar nu wist ik het zeker, voor haar, mijn oude lief, zou ik boven komen.
Ik herpakte me met alles wat ik had, en rondde het steilste stuk. Het beeld van haar aan de meet was altijd datgene dat me gedreven had. En dat was Armstrong’s geheime doping geweest in de Tour van dit jaar. Enkel en alleen voor de kussen van zijn Cheryl Crow was hij zo diep gegaan op weg naar de meet. Liefde was doping en niets anders.
Ik danste omhoog naar de top naar het punt waar zij in de koers gestaan zou hebben. Ik sloot mijn ogen en snoof de avondlucht op. Zo hoorde het te voelen wanneer liefde je drijft. Ik bedankte de dame en beloofde haar terug te komen. Maar ze wendde zich af en, liet zich vallen op le Bedoin.

25 October 2005
By on 11:20